Opgetrokken wenkbrauwen, dat is het eerste wat ik ervaar. Daarna hangt het wat in een schemerzone, dergelijk nieuws heeft tijd nodig om door te dringen. Maar het ongemakkelijke gevoel wordt wel groter. Ik weet niet goed wat te denken. Een ramp, dat is het enige concrete dat door mijn hoofd schiet.
Maar dan moet ik er zelf over schrijven. Zelf het relaas van de feiten brengen. Zelf een idee proberen te krijgen van wat er nu precies is gebeurd. Plots ben ik een tekst aan het schrijven dat bol staat van de rauwe emoties. Emoties die de tijd niet hebben gekregen om een eerste verwerking te ondergaan. Als pas opengereten wonden stralen ze harde pijn uit.
Ik schrijf over professionele hulpverleners, getraind in het omgaan met leed, maar die nu zelf een mentale schroothoop zijn. Urenlang proberen om levensloze kinderlichamen uit een gedrocht van staal en ellende te halen, dat is geen confrontatie meer met leed. Dat is een confrontatie met de zwartste gruwel, onverwerkbaar en meedogenloos.
De verhalen worden concreter en harder. Verschrikkelijke tegenstelling stapelen zich op. De harten van sommige ouders worden in twee gespleten door het flinterdunne lijntje tussen hoop en wanhoop. Kinderen zijn opgelucht dat ze dit overleefd hebben, maar dat ze uit een wrak van miserie en dood zijn gestapt, brengt een niet te verdelgen trauma met zich mee.
Het is op zulke momenten dat het leven je keihard in je gezicht slaat. Het enige wat je dan kan doen, is zwijgen.